Al vanaf de tijd dat zich ca. 6000 jaar geleden mensen vestigden op de Lofoten is de visserij een van de belangrijkste middelen van bestaan geweest. Hoewel hier het hele jaar door verschillende soorten vis worden gevangen, draait de visserij in de winter vooral om de Arctische kabeljauw. Vanaf november migreren miljoenen geslachtsrijpe kabeljauwen, ook wel skrei genoemd,  vanuit de Barentszzee naar de wateren rond de Lofoten waar ze in januari arriveren. In het voedselrijke water van met name de Vestfjord zijn de temperatuur en het zoutgehalte optimaal om kuit te schieten.

Lofotenvisserij, Lofoten, Noorwegen
Foto: Fru Amundsen ©

Van oudsher komen vissers uit heel Noord-Noorwegen van eind januari tot april naar de Lofoten om kabeljauw te vangen. Al rond het jaar 1120 gaf koning Øystein opdracht voor deze vissers rorbuer te bouwen, zodat ze, wanneer ze niet op zee waren, een plek hadden om te wonen.

Eeuwenlang werd alleen uit open boten met handlijnen met één haak gevist, maar in het begin van de 18e eeuw werden lange lijnen met meer haken in gebruik genomen en kort daarna ook netten. Er ontstond al snel enorme weerstand tegen deze nieuwe materialen, maar in de praktijk was er weinig tegen te doen. Pas in 1857 werd de Lofoten-wet van kracht die is gebaseerd op het principe vrije wateren, vrije visserij, maar de zee werd wel verdeeld in verschillende gebieden en voor elk gebied werd vastgesteld met welk materiaal mocht worden gevist. Bovendien werd vastgesteld dat de vissers zich ’s nachts niet op de visgronden mochten ophouden. Hoewel er daarna nog verschillende andere wetten zijn aangenomen, is dit basisprincipe tot nu toe onveranderd gebleven.

Tot 1940 was de Lofotenvisserij voor het merendeel van de vissers in Noord-Noorwegen de belangrijkste bron van inkomsten. In 1896 namen 32.000 vissers deel. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog daalde dit aantal tot 15.000–20.000 en sinds de jaren 1990 tot 2000–4000. In 1947 was het vangstquotum 147 miljoen kilo, tegenwoordig slechts 20 miljoen kilogram.